Over traumatattattatataaaa

Gisteren was de dag dan daar. Het gesprek met de psycholoog. Aan de torenhoge weerstand die ik daarover voelde te merken, is het bijna lachwekkend dat ik ooit de aspiratie had er zelf een te worden.  Ik zou het doen voor mijn coach, had ik op de voorbereidende vragenlijst gezet. Omdat De Job dat van me vraagt. Gaf me netjes een goed argument om wel te gaan, zonder mijn weerstand te moeten verstoppen. Goed geregeld van mezelf.

Deze weerstand komt voort uit het feit dat ik eerder al de psychologenpiste heb geprobeerd. Een keer toen ik verging van liefdesverdriet en te horen kreeg: ‘hij is een appelboom en jij een perenboom. Op zich niets mis met beide, maar dat matcht gewoon niet.’ Say what, schande voor ons beroep. Of die keer dat ik mijn perfectionisme wilde aanpakken en de opdracht kreeg de komende dag mijn tafel voor bezoek zonder servetten te dekken. Dan zucht ik vanuit het meest inwendige van de aarde. Die keer waarop ik dingen vertel en me gedwongen voel om een oud, hartverscheurend trauma uit mijn kindertijd op te rakelen. Dat niet bestaat en me met mijn handen omhoog keihard laat weglopen. I hate you fucking, veel-te-gemakkelijke-op-alles-een-antwoord-zonder-oplossing-vage psychoanalyse.

Om maar een beeld te schetsen: geen.zin.

Dus ik ga ernaartoe en ze is megavriendelijk en heeft een heel aangename rustige stem. Dat dat bij de arbeidspsycholoog is, helpt me precies, want zowel de sfeer als het lokaal als de insteek zijn van alle melige zweverigheid ontdaan. Praktisch, nooit gedacht dat het me zou aanspreken.

Tijdens de inleiding rolt het woord ‘trauma’ in het gesprek en mijn stekels gaan meteen zichtbaar rechtop staan. Daar heb ik geen aanspraak op, dat is overdreven, dat is voor erge gebeurtenissen en ga nu weg met uw psychologenwoordjes. Ze laat me een beetje nukkig zijn en maakt dan haar zin af (oeps). …’verschil tussen een trauma en een traumatische gebeurtenis’. Mijn diagnose zou eerder dat laatste zijn. Ik besluit haar nog een beetje een kans te geven.

Ik doe mijn verhaal, alweer, voor de eenduizendstevijftigste keer lijkt het.

En ineens zit ik daar toch te blèten. Kwaad op mezelf daarvoor, want ik zou me niet laten vangen. Dat was niet het plan. (Zegt iedereen die bij mij komt, antwoordt ze). En wat ze precies allemaal zei, dat weet ik zelfs niet meer. Behalve de definitie van haar ‘traumatische gebeurtenis’: onverwachtheid en machteloosheid. Check. Dat wil ik wel nog aanvaarden, want het verplaatst de focus van wat in mijn hoofd gebeurt: ‘ik was niet snel genoeg, niet adequaat genoeg, had niet genoeg kennis, was te emotioneel, te weinig professioneel, te weinig, tekort, te niet-genoeg’

naar

‘de situatie was onverwacht, er was geen voorbereiding mogelijk. De situatie was heftig en zou dat voor iedereen zijn. Het is niet gezegd dat meer medische kennis een positief verschil had gemaakt. Het is niet gezegd dat als iemand die kennis heeft, hij die op de juiste manier gebruikt.’

Het ligt niet aan mij maar aan die fokking situatie. Er opende zich iets in mijn borstkas en ik kon beter ademen. En ze opperde een gedachte die me uit mijn cirkeltje van ‘wat als ik misschien meteen de ambulance had gebeld en haar niet geloofd had dat het wel zou beteren’ kon halen: ‘wat als je nu deelnemers hebt die zeggen zich niet opperbest te voelen, bel je dan voor iedereen meteen een ambulance?’. Zelf niet opgekomen, al zegt mijn gevoel nog altijd: liever dat dan anders. Of nog: ‘wat als het wel goed was afgelopen, zou je hier dan ook zo zitten, of jezelf een schouderklop geven omdat je hebt gehandeld zoals je deed’. Hmm, waarschijnlijk wel. Geen diepzinnige, maar voor mij wel de juiste vragen om te stellen. Geen sussend gesprek van: ‘je kon er niets aan doen, laat het los’. Ik zou bijna denken: ‘damn, was ze maar geen arbeidspsycholoog’.

Na het gesprek ben ik dood.moe. Warm en moe. Ik ga naar huis en onderweg begint mijn maag te rommelen. Honger. Wat een verschil met de weken waarin ik amper een maaltijd kon binnenhouden en mijn nek zo vast zat dat ik er helemaal zot van werd. (Dat werkt zo, je spieren staan klaar voor actie. Ik heb al die dingen gestudeerd, maar ben ze accuut vergeten, laat staan dat ik het op mezelf toepas).

Dus ja, ik zeg het hier. Die avond was intens. Op twee uur tijd mijn aandacht verdelen tussen een vrouw die onwel wordt en overlijdt, ambulanciers, politie, brandweer, de rest van mijn groep, mezelf kalm houden, overleggen met het werk, reacties van justitieassistenten, mijn geweldige collega’s, mijn lief (voor 1 keer zonder toegevoegde meligheid: een held), mijn werk weer doen, praten met haar echtgenoot, terugkeren naar de plek… Het is allemaal wel echt onder mijn  vel gekropen. En dat is iets dat blijkbaar mag zijn wat het is.

Over Pijn

Zo om de zoveel weken komt hij onaangekondigd aanwaaien, mijn (niet zo goede) vriend Pijn. Hij herinnert me (niet zo) subtiel aan de macht die hij heeft. Verstoort mijn denken en geheugen en laat me ongenadig afgaan bij scrabble (iets wat me anders zelden overkomt ;)). Laat me fouten maken en dingen vergeten. Beperkt mijn bewegingsvrijheid, wringt zich jaloers tussen mij en yoga in. Gaat pesterig doen als ik in de zetel wil liggen en lacht me keihard uit als ik een poging doe om viool te spelen. Hij maakt de dagen soms geweldig vermoeiend met z’n eeuwige aandachtvragerij. Staat ook niet toe dat ik dan wel een nacht doorslaap.

Ik kan hem ondertussen eens een paar weken op afstand houden, al komt hij vrijwel dagelijks eens aan het raam tikken. Gewoon, om te zorgen dat ik hem niet vergeet. Mottigaard. Hij heeft geliefkoosde troeteldiertjes, deze Pijn. Laat Migraine, Misselijkheid en Duizeligheid vaak grommend loslopen. Wanneer hij zich echt verveelt, zie ik hem soms rondhangen met mijn andere (niet zo goede) vrienden Perfectionisme, Angst en Schuldgevoel. Stuk voor stuk brede en afgetrainde gasten, nemen nogal veel ruimte in. Samen herinneren ze me vrolijk aan alle keren dat ik in mijn leven al last-minute iets heb afgezegd. Een les, een moment met vrienden, een uitdaging of gewoon een plan voor mezelf. Ze schetsen een gedetailleerd beeld van mijn onbetrouwbaarheid als vriendin, werknemer, leerling en lief. Ze boetseren schaterlachend een beeld van mijn falen als eventueel-moeder, als uitdagende en levendige partner en als wie-weet-ooit-eigen-project-op-de-wereld-zetster.

Op het moment dat de Bende-Van-Pijn wat al te lang en stevig doorzakt, vluchten Goed Humeur en Positiviteit toch even de regio uit. Ze proberen wel, me te herinneren dat het misschien ooit van pas komt, als een soort van training. Mocht ik toch ooit bevallen, of een ledemaat geamputeerd krijgen of verpletterd worden door een piano en een olifant tegelijk. Alsof ik die mate van pijn met een voorsprongetje aan zou kunnen dan. (Heel erg) magere troost.

En het mag duidelijk zijn, u treft me na alweer een paar weken beperkte beweeglijkheid, afzeggen van leuke dates en lessen waar ik keihard naar uitkeek. Na oncontroleerbare huilbuien, doktersbezoeken en pijnstillers die ik zo lang mijd en die dan ineens even respijt geven. Als het een troost kan zijn, ik word van mijn humeur en dingen afzeggen en alles minstens even lastig als u misschien. En ik weet het, er zijn mensen die het zoveel zwaarder hebben dan ik, soms zelfs positiever en inspirerender zijn. Ik weet het, maar soms.. Grrrroeoeoeaaaargh.

Sorry voor dat alles. Alweer.

A.

Noot: We zouden de ruimte willen gebruiken voor uitgebreide, doch welgemeende verontschuldigingen, al is Schuldgevoel er snel bij om te fluisteren dat niemand dat waarschijnlijk nog gelooft. Vanavond proberen wij nog even de boel terug onder controle te krijgen  voor Positiviteit allicht terugkomt met Hoop. We danken u alvast voor de aandacht,

Drama en Bleuh.

 

 

Over nieuwe handen

Er is een vrouw onder mijn huid gaan wonen. Ik ken haar niet. Haar naam heb ik van het blad dat me werd gegeven, maar ze heeft hem nooit zelf aan me toevertrouwd.

Ik ken haar dromen niet. Ik ken haar angsten niet, of haar mooiste herinnering. Ik weet niet wie ze lief had, wat haar blij of ongelukkig maakte.

Ze sloop niet, ze viel bruusk bij mij naar binnen in vijf minuten oneindig lang. We spraken niet. Enfin, ik strooide woorden uit maar niet teveel, want wat zeg je tegen een veel te stille vreemde. Wat zeg als je niet wil liegen, maar zelf ook niets meer weet.

We ontmoetten elkaar, zij ergens onder mijn handen. Die haar toedekten tegen de kou en tegen ogen. Die even aarzelden om haar haar te strelen, want dat is wel zo intiem. Maar zonder woorden en zonder aarzelende aanraking zou er niets zijn, en dat was veel erger.

Ademhalen, dat is iets curieus. Ik weet niet meer of ik het deed, maar dat moet wel. Ik dacht dat zij het deed, maar dat bleek niet.

Het voelde alsof mijn hart voor twee kon kloppen, die vijf oneindige minuten. Ik vermoed dat het toen ergens was, dat ze me passeerde en besloot te blijven.

En toen werden we weer elk twee mensen. Zij steeds stiller, ik steeds drukker. Nog net op tijd om aan de anderen te vragen wat anders of sneller had gemoeten. Mijn best doen om paniek de baas te blijven. Dat lukte, dat moet wel, dat hoorde ik later.

Later dan het moment weer thuis. Toen ik stil en alleen was en haar parfum de tijd had om mn neus te bereiken. Mn handen liet beven. Mn vat emoties open trok. Daar heb ik wel wat van. Me naar de douche joeg waar ik lang bleef staan.

Ze was er toen haar man me belde. Liet me gelukkig rustig praten. Liet me gelukkig eerlijk kunnen zijn. Niet alleen, nee. Niet alleen. Echt waar meneer, ze was niet alleen. Ik was bij haar.

Niet voor het eerst of laatst bij mezelf afvragen of dat wel genoeg was.

Ik ben niet bang voor de dood. Heb ze al enkele malen gezien en enkele malen weten dreigen. Het is wat het is.

Maar de sluipweg van de vrouw naar ergens onder mijn huid, was heel dichtbij. Mijn handen die opvingen, toedekten, streelden, beefden, nutteloos bleken, zijn voor altijd nieuwe handen.

Over het Jaar van Spel

Al halfweg januari (mijn beste wensen!) en er was nog niets gezegd of geschreven over het nieuwe thema van mijn jaar. Voor wie het nog niet kent, na een moeilijk periode enkele jaren geleden, besloot ik bij het vuurwerk van nieuwjaar om de nieuwe maanden een thema te geven. Of een focus. Het begon met ‘Het Jaar van Ja’, waarin het duidelijk de bedoeling was om weer ja te zeggen tegen kansen, nieuwe dingen en mezelf. En geloof het of niet, zo’n thema maakt zichzelf al elk jaar waar.

Enkele jaren later zitten we aan 2019 en het Jaar van Spel. Opnieuw zonder al te diep te moeten nadenken, kwam het thema zichzelf een beetje aanbieden. Ondertussen is me zo wel lichtjes duidelijk geworden dat ik misschien wel last heb van enig perfectionisme. Normaal heel beheersbaar, maar sinds mijn burn-out (die nu gelukkig weg is) neemt dat nogal grote en energievretende proporties aan. Ondertussen ben ik daarmee aan de slag gegaan. Het begon met mijn eigen observatie dat ik mijn ongetemd enthousiasme voor zowat alles al een hele tijd niet had gevoeld en dat toch wel begon te missen. Na een aantal gesprekken en teksten en diepzinnig gebrainstorm, zou het wel eens heel goed mogelijk zijn dat mijn perfectionisme daar voor iets tussen zit. Dat dat wel eens de reden kan zijn dat ik zo’n ‘alles-of-niets-mens’ ben en dat het een laag legt op vonkjes van plezier. Misschien voor velen al tijden overduidelijk, voor mij wel een binnenkomertje. Al die zaken die ik bij mezelf observeer, blijken dezelfde bron te hebben.

Dus ik ga weer heel bewust leren om dingen te doen voor de pure en eenvoudige reden dat ik het leuk vind om te doen. Dus niet om anderen te plezieren, hoge toppen te scheren, mezelf gigantische doelen op te leggen. Klinkt misschien eenvoudig, maar op dit moment is het voor mij wel iets waar ik me moet op focussen en dat nogal onwennig aanvoelt.

Dat zou dus mijn idee van bijvoorbeeld ‘ik ga maar geen viool spelen want ik ben nog steeds niet zo goed als mijn zalige vriendin die al honderdduizend jaar speelt’, kunnen veranderen in ‘ik ga viool spelen want ik doe het graag’. Punt. En ja, belachelijk hoge eis om als beginner meteen al perfect te willen/moeten zijn.

Dat zou mijn idee van: ‘misschien moet ik lopen maar stopzetten, want door alles van de laatste maanden, moet ik weer van nul beginnen. Ik zit alweer nog niet aan 10 km’, misschien omzetten in ‘ik ga lopen omdat ik ervan geniet en omdat het mijn lijf een fijn gevoel geeft. Afstand maakt eigenlijk niet uit.’

En dat zijn nog maar twee voorbeelden. Ik zou misschien niet meer van mezelf eisen dat elk aspect van het huis en de maaltijd perfect geregeld is als er mensen komen, en genieten van een rommelige chaos die misschien meer thuisgevoel geeft. Of toch solliciteren voor jobs die beroep doen op vaardigheden die ik misschien wel heb, maar wel nog beter kan ontwikkelen. Dan zou ik misschien meer durven schrijven, meedoen in een toneel,… Enfin, mezelf meer tonen. Zonder 38 dagen te piekeren over wat niet perfect was en wat ik de volgende keer zeker beter moet doen. Ik kan me ergens voorstellen dat ik me dan allicht ‘lichter’ zou voelen en zelfs weer zo brandend enthousiast als ik altijd ben geweest. Alsof ik gewoon even afgedwaald was. Ik zou weer een leuker mens zijn (echt, ik kan het zenne).

Dus ja, opnieuw beginnen lopen zodra mijn nek dat toelaat, viool spelen, schrijven, kampvuuravondjes houden en spelen. Dat mijn lief me een slackline gaf, dat een vriendin waar ik als kind toneel mee deed me ineens vroeg om te figureren, dat ik mijn jongleerballekes terugvond, dat de tuin als een blanco blad wacht op inrichting en dat ik uitnodigingen krijg voor opera’s en concerten, dat kan allemaal geen toeval zijn hé. Het Jaar van Spel is begonnen, dus al wie mee wil spelen, ge zijt verdikke welkom!

Over het Brachialis Plexus Letsel

Ik ben deze blog in mijn schrijfgeschiedenis al een paar keer begonnen. Dan toch maar niet afgemaakt of gepubliceerd, omdat het misschien te dramatisch en aandachtzoekerig overkwam. Op dit moment is het echter zo’n belangrijk thema voor mij, dat ik er maar beter iets van zeg.

Op een dag ben ik geboren en hebben de artsen een verkeerde beweging gemaakt en/of te hard getrokken, waardoor enkele zenuwen in mijn schouder-ruggenmergzone zijn uitgerokken en/of losgekomen. Mijn rechterarm is drie maanden volledig lam geweest. Net toen ik die deadline van 3 maanden zou bereiken, begon ik echter spontaan mijn vingers te bewegen en de artsen van toen gingen ervan uit dat dat allemaal wel weer in orde kwam. Behalve de oefeningetjes die mijn ouders meekregen naar huis, werd er verder geen onderzoek of begeleiding aangeraden, iets wat naar ik hoor, momenteel wel veel beter wordt opgevolgd.

In de lagere school en het middelbaar kon ik nooit iets beters zeggen dan: ‘ik heb een beetje een kapotte arm/schouder’. Menig turnleerkracht zag me als een sukkel die niet van turnen hield, tot ik mijn arm uitstrekte en gewoon liet zien dat mijn beweeglijkheid behoorlijk minder was rechts. Doktersattest had ik niet, want er was nooit iets verder onderzocht. Nog trauma’s van toestelturnen. Ik hoorde zo vaak dat ik mijn schouders recht moest houden, en mijn arm niet zo stijf naast me moest houden als ik liep. Ik had de rariteit dat mijn arm soms helemaal koud werd, dat schouderblad dat zo bizar ver uitstak en -gelukkig eerder zeldzaam dan vaak- een arm die volledig gevoelloos en lam werd.

Nu, op zich waren die beweeglijkheid en kracht nooit een grote rem, ik heb alles gedaan wat ik wilde doen. Wat voor mij een groter probleem was, was de constante, eeuwige, in intensiteit golvende hoofdpijn, duizeligheid en misselijkheid. Heel snel werd daar een psychologische uitleg aan gegeven, want die arm was gewoon een letsel van lang geleden dat zo goed mogelijk spontaan was hersteld. ‘had ik problemen op school of zo?’. Ik was misschien te gevoelig. Er werden ook andere oorzaken gezocht: had ik een bril nodig omdat mijn ogen niet werkten, was het een verkeerde ademhaling,… Ik zou het ook geloven dat mensen soms dachten dat ik gewoon geen zin had om iets te doen, om af te spreken,… Meer dan eens lag ik een week in mijn bed omdat de kamer niet stopte met draaien, of omdat een constante zeurende hoofdpijn ineens ontplofte tot een vakkundige migraine. Reisziekte, mottig worden van kermissen, het ganse gedoe vink ik af op mijn lijst, als er maar hoofdpijn, duizeligheid en misselijkheid mee gemoeid is.

Ik ben naar kinesisten geweest, osteopaten, neus-keel-oorartsen, huisartsen, chiropractors… De een hielp me al meer dan de ander, maar telkens met een klein puzzelstukje. Pas toen ik 24 was, besloot ik op eigen houtje naar een neuroloog te gaan. Eigenlijk niet eens omdat ik het toen al zo beu was, maar omdat ik toen een paar weken als poetsvrouw werkte tussen twee jobs door, en merkte dat dat toch wel heel pijnlijk begon te worden. De neuroloog testte net genoeg zenuwen om op mijn attest te kunnen bevestigen dat ik door mijn letsel mijn job niet meer kon doen. Toen wist ik officieel: ik heb een letsel. En verder ging het naar dokters, osteopaten, kinesisten… Waar ik me toen begon aan te ergeren, is dat telkens ik vermeldde dat ik een brachialis-plexusletsel had, dat heel vaak automatisch de verklaring was voor gelijk welke ‘vage’ klacht. ‘Ah, ja, die zenuwen in je schouder wordt afgekneld bij slechte houding, je moet je meer ontspannen…’.

Na een paar jaar werken in de hulpverlening, kwam ik ineens bij een mooie job in de bloemenwinkel uit. Ik haalde er mijn hart op en mijn energie uit. Drie volle maanden lang. Ik had niet eens last van mijn schouder, achteraf bekeken wellicht omdat ik alle zware werk met mijn sterke arm deed, en die daarmee overbelastte. Heel vaak kreeg mijn lief met een schoudermassage mijn klachten ’s avonds weg, dus niets aan de hand. Tot ik bij het voorover buigen omdat ik zaken moest opvegen zo misselijk werd dat ik amper kon blijven staan. Tot ik bij het vullen van de karren mijn beide armen niet verder dan schouderhoogte kon houden zonder steken in mijn nek en een duizeligheid die al mijn concentratie vergde. Mijn baas stuurt me naar huis, en in nood om een doktersbriefje, kom ik bij een nieuwe huisarts terecht. Die me naar huis wil sturen met een siroopje tegen misselijkheid. Terwijl ik me daarin begin op te jagen, want die lapmiddeltjes hebben nog nooit gewerkt, moet ik in mijn nek zijn beginnen duwen. Wat hij terloops opmerkt terwijl hij zijn attestje al aan het schrijven is. ‘Pijn in je nek?’, ‘ja, maar ik heb altijd pijn in mijn nek, dus jah’. ‘Migraines? Scheef bekken? Steunzolen? Moeite om je recht te houden? Pijn net onder je schedel?’ Op al zijn vragen zeg ik ja en zonder aarzelen stuurt hij me door voor een foto van mijn nek. Ik heb er niet veel hoop in en zeg nog: ‘maar ja, dokter, als ze mijn bloed testen is dat ook altijd goed, dus wat als ze nu weer niets zien op die foto’. En hij begint te lachen: ‘maar meiske, zij maar gerust, ze gaan wel iets zien op die foto.’ Wat me vreemd genoeg niet echt gerust stelde. De radiologe haar reactie ‘heb jij serieus nog nooit naar je nek laten kijken? Het is anders wel goed dat je dat nu doet’ en die van de huisarts wat later ‘ik heb dat nu nog nooit gezien’, brengen me bij nu. Twee weken waarin de mottigheid ook golvend aanwezig is, maar over het algemeen intenser, een job die ik uit noodzaak moest stoppen, een hele lijst zelfgewonnen informatie, en een afspraak bij een neurochirurg. De puzzelstukjes van klachten hebben wel ‘toevallig’ veel linken met zenuwschade, compensatie, vervormde wervels en kijk es, een brachialis plexus letsel.

Om maar te zeggen, het duurt soms lang voor je dichter bij de oplossing komt van misschien wel vage klachten, het vraagt soms veel hulpverleners met een eigen kijk, het vraagt op je eigen strepen staan en manieren zoeken om er ondertussen mee om te gaan, maar de bevestiging dat mijn hoofdpijn meer is dan een psychische gevoeligheid of mijn onvermogen om met stress om te gaan, daarvoor heb ik een half uur zitten blèten van opluchting en dankbaarheid om de erkenning.

Benieuwd waar ik zal uitkomen.

(o, en dit is niet bedoeld als klaagzang, ik voel me nog altijd een -weliswaar wiebelig- gelukzakskrekeltje).

Over schoonheid uit de bloemenwinkel

In deze roerige tijden van politiek troebel water, oorlogen en vluchtelingen, wiebelig openbaar vervoer en zwarte pietendiscussies, vind ik het tijd voor een nieuw portie tegengewicht. Positiviteit uit de kleine dingen. Heel mooi te observeren op plaatsen als een bloemenwinkel…

Er worden bruidsboeketten gevraagd. Jaja, er wordt nog steeds getrouwd en daar hangt nog steeds een liefdevolle en romantische, doch spannende sfeer rond.

Er was het oudere koppel dat een plantje kwam halen en bij het afrekenen stopt de man een groter briefje in handen  van zijn vrouw: ‘hier moeke, betaal hier maar mee’. Moeke kijkt samenzweerderig naar mij en we lachen: ‘amai, zo hoort het hé’, terwijl de man geamuseerd berustend zijn schouders ophaalt. Bij het geven van het wisselgeld vraag ik aan wie ik het moet geven, en de man wijst naar zijn vrouw. De ondeugende blik met twinkelende ogen  van de vrouw zal me nog lang bijblijven. Het zo duidelijk voelen van de liefde en samenhorigheid tussen die twee, zelfs in zo’n korte tijd, zeker ook.

De mensen die een plantje kopen omdat ze horen dat hun buurvrouw ziek is. ‘En een bloemeke kan deugd doen hé mevrouw’.

De dame die een bloemetje komt halen voor de leerkracht van haar zoon, die al een gans jaar vrijwillig bijles en begeleiding geeft, zonder dat ze daar iets voor terugkrijgt.

De collega’s die een grafstuk ophalen voor een van hen, waarbij ze zes keer het bedrag van het bloemstuk hebben opgehaald. Het bloemstuk in rood en blauw, met spiderman in het midden. Want het was zo’n schone mens en hij hield van comics. De collega’s huilen als ze het stuk zien.

De man die een plantje haalt voor zijn dochter. Een uur geleden is hij grootvader geworden en hij kan niet wachten om te gaan kijken. De vrouw die een plant komt halen terwijl haar dochter nog aan het bevallen is, want er is geen tijd te verliezen.

De jongeman die verlegen een combinatie bloemen kiest voor zijn vriendin en vraagt of het wel goed genoeg is.

De man die zijn gekozen combinatie filmt voor zijn vriendin, die via die camera laat weten dat ze die witte bloemen maar niets vindt, waarop hij droog antwoord dat ze de volgende keer toch maar beter meekomt dan. Hilariteit in de winkel.

De kinderen die bloemen kiezen, mama die niet zeker is van de combinatie, maar blij wordt van de tevredenheid van haar kroost.

De man die lange dagen werkt, toevallig vandaag vroeger gedaan heeft en bloemen koopt voor zijn vrouw ‘omdat ze dat verdient en dat een schone verrassing is hé toch?’. Die mij vraagt om het kaartje te schrijven zodat ze het toch zou kunnen lezen.

De bloemen voor verplegers, vroedvrouwen, zorgkundigen.
Bloemen voor moeders, vaders, zonen en dochters. Bloemen bij geboortes en overlijdens. Bloemen bij verjaardagen, nieuwe woningen, nieuwe jobs.

Bloemen als harten onder de riem. Als bedankjes en als troost. Bloemen met kaartjes als ‘zomaar’, ‘ik zie je graag’, ‘ik ben trots op je’.

Bloemen als geschenk voor zichzelf, maar meer nog als geschenk voor een ander.

Bloemen voor schone momenten, voor droevige momenten, spannende momenten, eenvoudige ‘omdat-ik-aan-je-denk-en-het-een-mooie-dag-is-momenten’.

In het constante boeketten draaien, bevestigen van de gemaakte keuze en verpakken, zit schoonheid, oprechtheid, verbondenheid, hoop en liefde, troost en trots.

’t Is nog al nie naar de wuppe…

 

Over Snoeien om te Bloeien

Er zijn momenten waarop ge toch weer met uw neus op de feiten wordt gedrukt. Mijn huisarts zei met gemak: zo’n burnout, dat blijft zeker 2 jaar in uw lijf zitten. ‘Niet bij mij’, dacht ik toen, ‘ge zult wel zien’.

We zijn exact 10 maanden verder van de dag waarop ik mijn toenmalige baas zei dat hij mocht doen en zeggen wat hij wilde, ik kon niet meer. En waarop ik thuis bleef. We zijn anderhalve maand in een periode van een nieuwe job in een nieuwe sector, de start van 2 avondopleidingen, een rustig hernemen van vioolles, het zoeken naar een huis en het ontwikkelen van een structuur om in al die dingen gezond te leven, mijn huishouden en administratie op orde te houden én mijn lief, vrienden en familie aandacht en liefde te geven.

We zijn enkele weken in een nieuwe periode van een onbestrijdbare vermoeidheid (lijmmoeheid), van elk momentje alleen slaap proberen in te halen, al is het een kwartier. Van ’s nachts dan wel wakker worden en die laatste uren nacht onbeheersbaar aan vanalles te denken. Van mijn meest simpele huishoudtaakjes alweer in stukken op te delen om ze toch gedaan te krijgen. Van antwoorden op berichten lastig vinden. Van boodschappen doen en koken onvoorstelbaar zwaar te vinden. Van me druk te maken dat ik die plantnamen en inhoudsstoffen en technische termen nooit van zen leven in mijn hoofd zal krijgen en van alle energie die ik heb gewoon te focussen op mijn werk.

Gelukkig voel ik wel nog plezier als ik met de planten werk, ben ik nog nieuwsgierig en geniet ik wel oprecht van samenzijn met mensen. Gelukkig herken ik een aantal signalen die ik vorig jaar ook had en die het begin inluidden van een periode die me beangstigde en die ik niet wil herhalen. Gelukkig ben ik nog alert genoeg om te beseffen dat ik beter nu ingrijp dan toch nog een paar dagen op mijn tanden bijten, en dan nog een paar, en dan…

Gisteren, na een dag in mijn bed, dwong ik me naar de floristenles. Gelukkig had ik de bloemen voor anderen mee, zo moest ik wel gaan. Tijdens de les merk ik dat ik rustiger wordt, allicht omdat het ook een stuk was dat niet gemillimeterd evenwichtig moest zijn. Voor het eerst maakte ik gewoon mijn stuk zonder al te veel te analyseren of het nu wel ok was. ( Bizar genoeg, of niet, waren voor het eerst ook de evaluaties vrij goed). Ondertussen dacht ik na over een zin die een medeleerling tegen me zei: dat ze had gewerkt rond de seizoenen in haar leven, maanden, week, dag. Dat er in elk tijdsdeel eigenlijk verschillende seizoenen te vinden zijn. En ik denk, misschien ben ik van een barre winter (midden burnout), te snel naar weer een heel actieve zomer gegaan. Het is wel duidelijk dat er wel weer energie is, maar nog niet zoveel reserves. Misschien heb ik nog een beetje zachte winter van rust nodig, met een geleidelijke lente…

Dus met pijn in mijn hart, want ik doe het graag en het blijft op mijn wensenlijst staan, maak ik een Keuze. Kiezen is moeilijk en ik twijfel in het proces, maar ook erna. Ik besluit 1 van mijn opleidingen stop te zetten. Als ik had gehoopt dat ik me daarmee opgelucht zou voelen als bewijs dat ik de juiste keuze maakte, ben ik eraan voor de moeite, want ik doe het echt graag. Ik voel me eventjes mislukt en falend. Ik voel, zoals ik eigenlijk al gans mijn leven heb, dat ik nooit genoeg tijd zal hebben om alles te doen wat me boeit, alsof ik me altijd moet haasten en alles tegelijk moet doen als ik ooit veel kennis en vaardigheden en ervaringen wil hebben. Mijn verstand gooit er tegenin dat niet naar school gaan, niet betekent dat er niet geleerd kan worden. Maar toch, maar toch…

Ik praat met een vriendin over alle argumenten waarom wel en waarom niet, wat energie geeft en wat niet (of minder), wat ik puur voor het plezier doe en waar ik voor mezelf ook (behoorlijk wat) druk op zet. En terwijl ik dat zo oplijst, helpt mijn rationeel denken  me om te bevestigen dat, ook al voelt het niet leuk, het de juiste keuze is. En dat laatste is ook nieuw, want ik ben nogal, eum, wel ja, emotioneel eigenlijk.Ze wijst me, net als mijn medeleerlinge en mijn strenge lief, op de aanwezigheid van een sterk ontwikkeld perfectionisme dat me eerder hindert dan vooruit helpt.  Kruiden komen in mijn tuin, experimenteren kan ik ook zonder lesdruk, de les kan ik altijd later nog hernemen en vooral: ik wil echt een hele goede florist worden dus het is ok als ik daar eerst op focus.

‘Snoeien om te bloeien dus’, antwoordde ik haar.

 

Over Herfst

Zoals wel eens durft gebeuren, sprong mijn brein afgelopen nacht in analyse-modus, een toestand waarin verschillende gebeurtenissen of emoties of uitspraken samen in een pot worden gegooid, goed dooreen geschud en TADAA: Een Inzicht.

Mijn lief en ik lopen door de supermarkt en zoals dat om onverklaarbare reden wel vaker bij ons gebeurt, hebben we daar een diepfilosofisch gesprek, alsof zoiets makkelijker en/of veiliger is met de zekerheid van alledaagse zaken als koffiefilters, oorstokjes en hapjes die je eigenlijk wil vermijden. Ik vraag me luidop af waar ik toch eigenlijk aan begonnen ben? Net als iedereen rond mij op deze heilige leeftijd van dertig netjes gesetteld is, besluit ik mijn ganse carrière en daarmee ook een groot deel van mijn identiteit om te gooien. Niet in hapklare stappen, maar gewoon zo in 1 keer. Onbekende opleiding en meteen ook de onbekende job erbij, toch niet in de stad waar ik naar zou terugkeren… Hij denkt dat er misschien meer ‘Eeuwige Student’ in mij zit dan hulpverlener, want ik kan niet ontkennen dat ik altijd graag leerling was en nog steeds ben. Ik trek nog een wenkbrauw op, met de bedenking dat de samenleving daar wel echt niets aan heeft, maar dan worden we opgeslokt door het avondeten van die dag.

Hoewel ik heel graag leer en wel heel veel dingen boeiend vind, hou ik absoluut niet van het groentje zijn, van traag zijn, van mierenneukerige vragen stellen omdat ik moet kiezen tussen belachelijke vragen stellen en falen. En als er 1 iets erger is dan zowat alles, dan is het iemand teleurstellen. In die zeer korte tijd op mijn nieuwe job heb ik al een paar keer gehoord: ‘dat is echt niet goed genoeg, opnieuw’, of ‘die kleurencombinaties zijn afgrijselijk: opnieuw’. Tanden bijten. Kiezen om te zeggen: ‘aha, ik kan zien waarom je dat zegt, hoe wil je het dan wel graag?’ en merken dat je in alle drukte even uitleg krijgt van je baas en samen met haar de winkelinrichting doorloopt. Merken dat je beter snapt waarom dingen gedaan worden zoals ze gedaan worden en horen: ‘ah, met het te doen en vragen te stellen, leer je het wel hoor’. Adem krijgen.

Ik ga graag naar de les. Om een inhaalmanoeuvre te kunnen doen in de bloemenwinkel natuurlijk, om zo snel mogelijk een zekere basiskennis en vaardigheden op te bouwen, zeker, maar vooral omdat leren leuk is. Na een les van vier uur plantkunde, trek ik de conclusie dat ik nu beter snap waarom planten baat hebben bij snoeien, waarom bladverlies soms een overlevingsmechanisme is en waarom de herfst, de herfst is. Alle energie gaat dan immers naar de basis, naar de wortel, naar de bron van verdere groei en bloei. Een manier van overleven, maar ook soms van herbronning en sterker worden. (Bon, ik weet niet waar planten moeten over herbronnen, maar hierbij is meteen de brug naar menselijk gedoe gebouwd hé, artistieke vrijheid.)

En ik besef ineens dat dit mijn persoonlijke herfst is. Dat het tijd is voor een nieuw seizoen. Tijd om eens flink te waaien door mijn eigen perfectionisme, verwachtingen en zelfbeeld. Tijd om van kleur en leefwereld te veranderen. Tijd om stil te worden en minder mensen en ideaalbeelden achterna te lopen. Tijd om extra gewicht van me af te gooien, de letterlijke kilo’s die er tijdens mijn burn-out zijn bijgekomen (het moet een keer gezegd), maar evengoed mijn haast om te weten waar ik naartoe ga en mijn angsten omdat alles zo vermoeiend nieuw en onzeker is los te laten. Tijd om mijn ideeën over wie ik ben en hoofdzakelijk deze over wie ik zou moeten zijn af te spoelen, of op zijn minst te verdunnen.

Soms denk ik dat ik vruchteloos hoop om een ultieme oplossing te vinden om ineens zelfzeker en doelgericht en altijd in 1 richting en betrouwbaar en … in het leven te staan. Andere keren denk ik dat het misschien goed is zoals het gaat, zwervend in mijn eigen dagen. Seizoenen komen en gaan, planten bloeien en plooien weer op zichzelf terug. De boom is er ook geraakt toch? Mee met de seizoenen, vasthouden en voeden en even goed loslaten. En daar allemaal zo geen drama van maken. Dat kan hier nog b(l)oeiend worden, me dunkt 🙂

 

 

Over Vlinderen

Ergens tussen winter en lente, kon ik niet langer geduld opbrengen en ging ik volop planten halen voor de pottentuin op ons terras. Ik ben grote fan  van vlinderstruiken, dus kocht er eentje. Eerlijk, hij zag er zielig uit, meer bruin dan groen en nogal sip. Dat zou wel aan het tijdstip liggen, dacht ik, niets wat een nieuwe grote pot met verse aarde, liefde, water en zon niet zouden redden. Ellenlange weken wachten later, had mijn struik wel iets meer groene blaadjes, maar bleek hij niet miraculeus opgeleefd, laat staan te bloeien. Maar zelfs ondanks de huidige hitte, bleef hij wel in leven. Dat vond ik al getuigen van behoorlijk wat doorzettingsvermogen.

Vandaag stond ik te wachten op een Vriendin-Van-Altijd voor een koffie, toen ik benaderd werd door een student die me wilde overhalen me financieel in te zetten voor een niet nader genoemde NGO. Hij begon goed: dat hij net in pauze zou gaan, maar dat ik er sympathiek uitzag en al. Vleiend met exact de juiste hoeveelheid humor. Ik zei hem meteen nee. Lang geleden heb ik met mezelf de afspraak gemaakt dat mijn energie al zoveel naar mensen ging, dat mijn geld enkel naar natuurorganisaties zou gaan. Ik legde dat laatste deel uit en merkte dat ik begon te stotteren. Zei hem dat ik in de hulpverlening gewerkt had en dergelijke, waarop hij doorvroeg wat ik dan deed.

En op dat moment draait er zich iets in mijn maag en moet ik iets wegslikken. Dat is het eerste moment in al die maanden dat ik fysiek voel dat ik afscheid neem. Ik ben geen hulpverlener meer. Ik help geen mensen meer, ik ben niet meer die idealist die het liefst de hele wereld vrij en zorgeloos en gelukkig wil zien. Ik heb er de energie niet meer voor. Ik heb het al zo vaak gezegd en geschreven, maar in die paar seconden voelde ik het ook fysiek. Ik besta niet meer als hulpverlener. Al die jaren was dat een identiteit die me zo goed paste en waar ik ontzettend trots op was. Nog steeds, lijkt me gezien de lastigheid van dat moment. En ik zou niet kunnen zeggen wie of wat ik nu ben. Mijn uniform als hulpverlener is afgelegd en ik lijk lukraak maar wat aan te trekken. Ik voel me in die korte tijd behoorlijk naakt en kleurloos. Ik mis mijn uitdagende, gewaardeerde, soms vervloekte, maar vertrouwde hulpverlenersjas. Nu pas merk ik hoeveel zelfwaarde en zelfrespect ik uit die rol haalde. Ik deed het graag, ik geloofde in wat ik deed, ik geloofde in de mensen met wie ik werkte en ik geloofde in mogelijkheden en positiviteit.

Dat doe ik voor alle duidelijkheid nog steeds, alleen is er geen fysieke of mentale energie om me opnieuw in de arena te werpen, met constante alertheid, oplossingsgerichtheid, bevestiging, wendbaarheid en vertrouwen. En dat ineens zo ten volle beseffen, beneemt me de adem.

Na nog geen minuut is de jongen weg en hij heeft niets gemerkt van mijn moment. Ik ben geen hulpverlener meer. Ik ben ook nog geen florist of herborist. Mijn bijdrage aan een betere of mooiere wereld lijkt vager en kleiner dan ooit en ik word er immens triest van. En bang, ik heb schrik dat die drive, die goesting, die honger en vastberadenheid nooit meer terug zullen komen. En ik mis ze nochtans zo hard, maar hoe harder ik probeer ze op te roepen, hoe vermoeider ik me terug vooruit sleep. En vandaag lukt het me moeilijker om me daar niet te laten door meeslepen. Ik voel me een zwerver in mijn eigen leven.

Dus ik neem er mijn dankbaarheidsboekje bij, waarin ik regelmatig noteer wat de moeite waard is. Zelfs voor mijn burnout bleek dat een opkikker, een hart onder de riem en de wind om mijn neus terug in een positieve richting te zetten.

Ik dacht terug aan de man die voor het offerfeest een boeket bloemen kwam halen voor zijn vrouw, en een enkele zonnebloem wilde voor zijn vijfjarige dochter. Aan de blijheid van alle moslims die dag in de winkel die we een fijne feestdag toewensten.

Ik dacht aan het koppel dat bloemstukjes kwam bestellen voor de tafel, en pas op het einde zichzelf verraadde door ook te vragen naar een boeket om vast te houden. Onze uitroepen ‘maar het gaat om een huwelijk!’ en daarna hun lieve, schattige blikken naar elkaar bij ons enthousiasme.

De mensen die graag bloemen willen kopen, maar bang zijn om de verkeerde kiezen: kan niet! En die dan toch een stuk zekerder met een boeket vertrekken naar vrienden en familie.

De vrouw die een boeket kwam halen omdat ze te eten is gevraagd bij de Irakese mensen aan wie ze een huis verhuurt.

De gehaasten, twijfelaars, enthousiasten.

De man die iets wil voor op een graf. Het kleine meisje met een losse bloem voor in haar haar. De vrouw die vandaag grootmoeder is geworden en verrast is met een gratis boeket. De mensen die bloemen willen voor hun zaak. De mensen die zichzelf bloemen kado doen, en zich daarvoor soms lijken te verontschuldigen.

De kleuren, de geuren, mijn kapotte nek en schouders, de splinters in mijn handen. Het leren kennen van nieuwe collega’s en het leren van zoveel over zoveel mooie dingen.  Het moe zijn van werken met mijn handen (en ganse lijf) in plaats van me zorgen maken dat ik als hulpverlener niet genoeg was.

Het helpt om te denken: ‘misschien komt het wel goed’. Tenslotte hebben al die dingen mij op die korte tijd al oprecht ontroerd, en dat komt heel dicht bij het enthousiaste vlammetje dat me altijd vooruit brandde.

Ik ga vandaag, ik lieg niet, opnieuw een rondje doen door mijn plantentuin. Gewapend met snoeischaar, water, een babbeltje en liefde. Ik kom bij mijn vlinderstruik en zie ineens dit. De deugniet heeft alles gewoon lekker in zijn eigen tijd gedaan.

39945303_299522830603820_3765663029748826112_n

Over een Eindfase met bobbels

Mijn vorige tekst vond ik zelf behoorlijk positief, zo’n lijst met stappen die alweer gezet waren. Ik had wel een beetje kunnen weten dat deze hernieuwde energie ook wel op de proef zou worden gesteld. Blijkbaar, maar dat kan een kind u eigenlijk vertellen, is een burn-out niet van de ene goede dag op de andere als een stofje in de zomerwind weggeblazen. En ik schrijf het maar, omdat ik steeds vaker mensen hoor die veel te veel uit hun energie geput hebben: ge zijt niet alleen, het gaat goed en dan weer efkes minder, maar over het algemeen komt er echt een einde aan.

Mijn lichaam is eigenlijk nog helemaal niet zo sterk als ik op het eerste gezicht dacht. Ik ga nog steeds lopen, maar hoewel ik dat nu toch al een paar jaar doe (met hoogtes en laagtes weliswaar), is opnieuw starten nu echt lastiger dan de allereerste keer dat ik eraan begon. Ik had gehoopt dat er nog wat conditie zou resteren, maar hoewel ik nog maar bij de beginlessen zit, sleep ik mezelf soms voort. Tijdens het lopen doe ik dan ook nog eens mijn best om mezelf daar niet voor af te straffen, wat de ene keer al beter lukt dan de andere. Bon, ik zit aan les 8, bijna een derde van de reeks.

Dat mijn lichaam nog niet zo sterk is, merk ik aan heel wat dingen: het minste lawaaitje of het kleinste zorgje verstoort mijn slaap compleet. Met alle gevolgen vandien. Als ik moe en nerveus ben, eet ik ofwel amper ofwel veel te veel, ook niet ideaal.

De laatste week had ik het gevoel terug geslingerd te worden naar de donkere maanden van begin dit jaar. Dacht ik eindelijk te kunnen starten met een nieuwe droomjob, dat is ook eum, niet helemaal gelopen zoals gepland. Ondertussen ben ik daar alweer gestopt. In dat laatste contact werd behoorlijk aan mijn Snaar-der-Schuldgevoel getrokken. Een lange dikke snaar die een laag getril in mij veroorzaakt, dat zich zo verspreid dat alles in de war raakt. Ik heb me er ziek in gemaakt. Hallo migraine, duizeligheid, slapeloosheid, maagpijn en keelpijn! Het wordt duidelijk nog een gans ander proces, dat opkomen voor mezelf, op de juiste manier (niet onbelangrijk), zonder me meteen de meest walgelijke, onbetrouwbare, vreselijke mens op aarde te voelen. Bedankt aan de mensen bij wie ik in mijn paniek mocht aankloppen en die me hielpen nuanceren.

In het gewoel van omgaan met dat schuldgevoel, moest ik ook wel een beetje vooruitkijken. Een job is belangrijk, weet je wel. Dus ik besloot om toch echt te gaan kiezen voor mijn nieuwe wending en ik dacht terug aan alle momenten van chaos waarvan ik achteraf dacht: ‘moh, dat is toch echt helemaal goed gekomen, soms beter dan ik zelf had kunnen denken’. En dat stelde me enigzins gerust. Pas op, dat was een oefening, om dat herhaaldelijk te doen. De volgende dag kreeg ik 3 uitnodigingen voor een gesprek, waarvan 2 in mijn gedroomde bloemen- en plantsector. Er is nog niets uit de lucht komen vallen, maar ik besloot het wel als een universeel signaal te zien dat het ok is om mijn nieuwe weg te gaan volgen, dat er zich vroeg of laat wel kansen zullen aandienen.

Ik heb wel het geluk dat ik in mijn vioolles met een schone lei kan beginnen. Van nul, met focus op noten lezen en mijn gehoor trainen. Omdat ik zelf nooit kon zeggen of ik nu goed genoeg had gespeeld of niet en daardoor altijd moest vertrouwen op de mening van anderen, maar daarmee wordt je geen muzikant. Omdat ik eindelijk met mijn vriendin samen wil spelen. Nieuw is dat ik heb uitgesproken aan mijn lerares dat ik mijn perfectionisme wil proberen loslaten, want mijn viool is iets dat ik zo graag doe en ik verpeste mijn eigen plezier doordat ik mezelf niet toestond om het eerst gewoon te leren. Mijn lerares is schitterend en ik kijk er naar uit om gewoon als een kind weer te starten met houding en ‘open snaren’. Om dan met vooral plezier verder te leren.

Ik begin ideeën te krijgen voor het project dat ik wil starten. Voor mezelf, deze keer niet om anderen of de wereld te willen redden. Mijn eerste gedachte blijft nog telkens: ‘maar dat kan je helemaal nog niet, ga eerst terug naar school,…’ Desondanks maak ik met mezelf de afspraak om op geregelde tijdstippen gewoon iets te maken én te tonen. Om er mee bezig te zijn, om al doende te leren en om mijn kritische stemmetje wat stiller te laten klinken. Een mens probeert vanalles nietwaar.

Dus op dit moment is er toch weer wat meer chaos, onzekerheid en angst. Het zit ook gewoon in mij, dus of dat nu helemaal met die burnout te maken heeft, daar stop ik mijn hand niet voor in het vuur. Het plan is nu dus niet om dat allemaal los te laten (want dat had ik al lang gedaan als ik het kon), maar om de dingen gewoon te laten zijn. En ondertussen in het klein te focussen op hoe ik het wil. Zodat op den duur alles volgt. Slaap zou fijn zijn, regelmatig ademen en wie weet, komt er dan ineens een nieuwe job aan…

Ik kom eraan, yogamat!

A.